Er staan vier Belgen bij een lange mast. Een Hollander komt langs en vraagt wat het probleem is. De Belgen vertellen dat ze de hoogte van de mast moeten meten, en dat ze niet weten hoe of dat moet. “Dat is toch heel simpel” zegt de Hollander.”Je laat de mast naar beneden zakken en je meet hem op,klaar.. “Zegt die Belg: “Zie je weer hoe stom die Hollanders zijn, we moeten de hoogte hebben en niet de lengte”…
Op een camping werd een feestje georganiseerd. De Belgen brachten bier mee, de Fransen wijn, de Engel- sen Gin en de Hollanders ….. hun familie…..
Een Belg en een Hollander staan naast elkaar in de rij. Zegt de Belg tegen de Hollander:”Ik vind het heel gemeen en kwetsend dat jullie altijd moppen over domme belgen maken, maar gelukkig maken wij ook moppen over jullie.” De Hollander antwoord dan:”Het is voor ons veel kwetsender want wij begrijpen de moppen ook nog”
Komt een Nederlander met zijn vrachtwagen een belg tegen die voor de brug stilstaat. De Nederlander stapt uit en vraag: wat is er aan de hand kerel. Nou, zegt de belg, ik pas net niet onder de brug door. Het scheelt maar 1 centimeter. Nou, zegt de nederlander, dan laat je toch wat lucht uit de banden lopen. Haha ja ja mooie ben jij, zegt de belg, maar het zit niet onder, t zit boven
Op een mooie zomerdag loopt een belg over het strand. Op een geven moment ziet hij een oude lamp liggen. Hij wrijft er een paar keer open en er komt een geest uit. De geest is heel dankbaar en geeft de belg daarom 3 wensen. De belg denkt even na en zegt dan doe mij maar een fles van de beste wijn die er is en nooit op gaat en een glas. Dus die geest zegt een wirwar van woorden en de fles en het glas verschijnen in de handen van de belg. De belg opent de fles en schenkt zijn glas vol. Hij drinkt het glas leeg en is in de zevende hemel. Na een tijdje begint de geest ongeduldig te worden en zegt wat is je laatste wens? Dus die belg zegt ooh die weet ik allang. Dus die geest vraagt: “en wat is het dan’. Zegt die belg: ‘nog zo’n fles wijn’
Twee Belgen treffen op straat een bruine hoop aan. “Wat zou dat nou toch wezen?” vraagt de eerste. De tweede antwoordt: “Het zou stront kunnen zijn, maar ik weet het niet zeker.” Zegt de eerste: “Laten we dat onderzoeken.” Hij bukt, steekt een vinger in de hoop en proeft. “Ja hoor,” zegt hij. “Het is stront.” Zegt de tweede: “Gelukkig dan maar dat we er niet in trapten.”
Twee Belgen lopen over straat en een ziet een spiegeltje liggen. Hij pakt het spiegeltje op en hij kijkt in het spiegeltje en denkt wat een bekend gezicht, en kijk nog es en zegt: “He die ken ik ergens van”. Zegt die andere: laat mij es kijken: Oh ik zie het al manneke dat ben ik?